Het volledige artikel is te lezen in Donau 2009/02.
De Europese Unie voert al jaren een beleid ter bevordering van de grensoverschrijdende samenwerking. Voor grensregio’s biedt dat een goede ondersteuning voor de sociale, culturele en economische ontwikkeling. Om het grensregionale beleid duurzaam te maken, zullen de initiatieven verankerd moeten worden in de civil society: de intermediaire sfeer tussen overheid en het privé-domein. Met het voorbeeld van de Eems Dollard regio, een succesvol samenwerkingverband in Noordwest-Europa, wordt geïllustreerd hoe lokale initiatieven (van onderop) en Europese ondersteuning (van bovenaf) elkaar versterken. Dit voorbeeld kan ook ter inspiratie dienen voor ontluikende grensregio’s in het midden, oosten en zuidoosten van Europa.
Er zijn weinig woorden in onze taal die een soortgelijke bloei hebben doorgemaakt als het woord ‘regio’. Tegenwoordig is ‘de regio’ een alledaags begrip dat wordt gebruikt om te verwijzen naar continenten, landsdelen en lokale gebieden. Het concept zelf is zo oud als het Latijn: het woord regio was in deze taal afgeleid van regnum (regeren) en werd gebruikt om bestuurlijke districten mee aan te wijzen. Maar sinds grofweg dertig jaar gebruiken we het woord steeds vaker. Deze populariteit hangt nauw samen met de wendbaarheid van het begrip. Wat een regio is, kunnen mensen zelf invullen. Naar eigen inzicht kunnen zij bijvoorbeeld putten uit de fysische categorie (klimaat, bodem, morfologie), de culturele categorie (religie, identiteit) of de politieke categorie (bestuursgebied, sociaal-economische indicatoren). De onbepaaldheid en abstractie die in het begrip besloten ligt, verklaart de bloei van de regio.
De regio past ook perfect in de taal die wordt gesproken door pleitbezorgers van de Europese integratie. Met de regio hebben zij een concept in handen dat bevrijd van nationale denkkaders. Sommigen gaan zover in hun ideale constructies dat zij Europa dwars door nationale grenzen opnieuw verkaveld willen zien in een ‘Europa van de regio’s’. Politici en beleidsmakers die verwant zijn aan de instellingen van de Europese Unie zelf, zijn realistischer. Maar ook zij hebben een regionale focus, getuige het Europese regionale beleid dat sinds 1975 wordt gevoerd.¹ De regio’s die worden onderscheiden in het Europese regionale beleid hebben gemeen dat zij op basis van kwalitatieve maar vooral kwantitatieve indicatoren worden geselecteerd als gebieden waar de economische ontwikkeling gestimuleerd moet worden. Het uiteindelijke doel is om regionale welvaartsverschillen te doen verminderen.
[Lees het volledige artikel in Donau 2009/2]
(...)
Het volledige artikel is te lezen in Donau 2009/02.
Marijn Molema (1982) studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Universität Bielefeld. Sinds 2007 is hij als promovendus verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zijn onderzoek gaat over het economische beleid van Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland van 1945 tot 2000. Het proefschrift waaraan hij werkt wordt eind 2010 afgerond en bevat een zoektocht naar de actoren, ideeën en motieven achter het economische beleid in de grensoverschrijdende (‘Eems-Dollard’) regio. Eerder publiceerde hij over plattelandsontwikkeling en regionale economische politiek.