Het volledige artikel is te lezen in Donau 2009/03.
Na de aankomst in de Kosovaarse hoofdstad Priština vertrokken we meteen naar de zuidelijke stad Prizren. In Prizren zouden we de eerste drie dagen van het studiebezoek doorbrengen om elkaar en de Servische en Kosovaarse deelnemers, vijf uit elk land, beter te leren kennen en om één van de activiteiten voor het einde van de week voor te bereiden: het uitdelen van ‘Loesje’-flyers op Europadag (9 mei). Zo kwam het dat we de volgende dag met z’n allen rond een grote tafel zaten, bedolven onder grote vellen papier waarop ogenschijnlijk willekeurige woorden stonden: theedoek, Eiffeltoren, armoede. Met deze ‘ingrediënten’ moest een romantisch verhaal geschreven worden. Na enkele vergelijkbare ‘brainstretch’ oefeningen en eindeloze brainstormsessies stonden er dan eindelijk acht prachtige, officiële Loesje-slogans op papier, in het Servisch en het Albanees. De kennismakingsspelletjes, culturele uitwisselingsgesprekken en de discussies hadden er inmiddels ook voor gezorgd dat we de andere deelnemers goed hadden leren kennen.
De derde dag vertrokken we naar Priština, waar we de rest van de week zouden doorbrengen. Tijdens de studiereis werden er bezoeken gebracht aan allerlei instanties: van overheidsfunctionarissen tot geschiedenisstudenten. Naast deze bezoeken werd er natuurlijk ook volop gediscussieerd door de deelnemers zelf. Pittige discussies zijn dan ook moeilijk te vermijden als je een groep Serven, Kosovaren en eigenwijze Nederlanders bij elkaar zet, maar gelukkig werden de meningsverschillen ’s avonds altijd bijgelegd onder genot van een biertje in één van de vele hippe bars die Priština rijk is.
Eén van de eerste bezoeken werd gebracht aan de War Crimes Investigation Unit van EULEX, de Europese rule of law -missie die de stabiliteit moet bewaren in Kosovo. Deze afdeling doet onderzoek naar de oorlogsmisdaden die hebben plaatsgevonden rondom de Kosovo-oorlog, gepleegd door zowel Serven als Albanezen. Ook wordt geprobeerd anonieme lichamen van slachtoffers, waarvan er nog honderden liggen te wachten, te identificeren. Helaas wordt dit proces vertraagd door angst en wantrouwen bij de nabestaanden, die vaak nog hoop hebben dat het slachtoffer ergens nog in leven is) en onwil, met name aan Servische zijde, om met EULEX samen te werken. Het indrukwekkende verhaal maakt duidelijk dat het onverwerkte verleden nog een grote invloed heeft op het dagelijks leven van de slachtoffers en nabestaanden, en hoeveel wantrouwen er soms heerst richting officiële instanties.
Een andere indrukwekkende bijeenkomst, die overigens minder met de omgang met het verleden te maken had, was met Vetevendosja (“zelfbeschikking”). Deze Albanees-Kosovaarse beweging verzet zich tegen álle internationale inmenging in Kosovo en schuwt daarbij harde actiemiddelen zoals vernielingen niet. Geweld gericht tegen personen is uit den boze, maar het vernielen van bijvoorbeeld auto’s en gebouwen is wel acceptabel. Het was interessant om naar het bijna overtuigende betoog van de actievoerder te luisteren en hij had een antwoord op al onze kritische vragen, maar toch waren we er niet van overtuigd dat deze manier van actievoeren de juiste is om een einde te maken aan de internationale bemoeienis met Kosovo.
Kosovo heeft een verdeelde samenleving en dat is overal in het land te zien. Hoewel de rechten van de Servische minderheid wettelijk goed geregeld zijn, leven de meeste Kosovo-Serven apart in enclaves of in het noorden van het land. Eén van die enclaves is Gračanica, even buiten de hoofdstad. Tijdens het bezoek aan dit dorp spraken we met jonge Serven over hun leven in de enclave. Hoewel Gračanica toch zo’n veertig kilometer van Mitrovica ligt (de gescheiden stad in het noorden van Kosovo waar veel Serven leven) gaan ze daar naar school en niet in het veel dichterbij gelegen Priština (want daar wonen voornamelijk Albanezen). Opvallend, maar niet echt verrassend, is dat de Servische scholen het lesmateriaal importeren uit Belgrado en volgens de Serven uit onze groep is met name het Servische geschiedenisonderwijs nationalistisch getint. Zo worden de twee verschillende visies op Kosovo, die van de Albanezen en Serven, via het onderwijs in stand gehouden. Ook uit gesprekken met de jongeren uit de enclave bleek dat er twee verschillende versies van de geschiedenis bestaan: beiden zijn niet onwaar, maar er is vaak weinig kennis en begrip voor het verhaal van ‘de ander’.
Op de laatste dag van het studiebezoek aan Kosovo was het dan zover: Europadag. Deze Europese feestdag, die gevierd wordt op 9 mei is in Nederland vrij onbekend, wordt in Kosovo uitbundig gevierd met allerlei optredens, toespraken en maar dit jaar bovendien vijftien mensen in witte t-shirts die flyers met Loesje-teksten uitdeelden aan verbaasde omstanders. De reacties van het publiek liepen uiteen. De meesten waren nieuwsgierig en reageerde na onze uitleg positief. Anderen haalden hun schouders op of vroegen zich af waarom we in he-mels-naam met de Serven samenwerkten, maar deze laatste reactie was gelukkig een zeldzame uitzondering.
Ook in Servië werd duidelijk dat er twee totaal verschillende verhalen over de Kosovo-geschiedenis bestaan, maar deze keer lag het er wel erg dik bovenop dat de Servische versie gekoesterd en zorgvuldig in stand gehouden wordt door de regering. Ons bezoek aan het Servische ministerie voor Kosovo en Metohija werd ingeleid met een filmpje waarin mensen aan het woord kwamen waarvan familie of bezittingen slachtoffer waren geworden van de oorlog. Tragisch natuurlijk, maar opvallend was dat de mensen uit het filmpje alléén maar Serviërs waren, terwijl ook aan Albanese zijde genoeg slachtoffers te betreuren waren. Het eenzijdige verhaal dat we vervolgens te horen kregen leidde tot verontwaardigde reacties van álle gasten: vooral de uitspraak dat men nóóit een Serf zal vinden die de onafhankelijkheid van Kosovo zou erkennen was aanleiding tot verontwaardigd protest van de Servische deelnemers. Hopelijk was het bezoek net zo leerzaam voor de presentator als voor ons…
Uit de andere ontmoetingen met NGO’s, overheidsorganisaties en historici blijkt dat de verwerking van het recente verleden zowel in Kosovo als in Servië nog nauwelijks begonnen is. De Kosovo-oorlog is nog niet terug te vinden in de geschiedenisboeken die leerlingen op school gebruiken en er wordt nu pas een begin gemaakt met het onderzoek naar oorlogsmisdaden die plaatsvonden tijdens deze oorlog. Dit onderzoek kan ook niet altijd op steun van de regering rekenen: in Servië wordt het uitgevoerd door een non-gouvermentele organisatie (het Humanitarian Law Center). Tegelijkertijd zijn beide landen gericht op een gezamenlijke toekomst binnen de Europese Unie. Acceptatie van het gezamenlijk verleden is echter een voorwaarde voor een gedeelde toekomst, en wat dat betreft dient er nog een hoop werk verzet te worden.
Het programma Our Future – European Integration bestaat sinds 2003 en wordt georganiseerd door vredesorganisatie IKV Pax Christi en haar partners in Servië (Fractal) en Kosovo (Integra). Het programma bestaat uit drie studiebezoeken in Kosovo, Servië en Nederland en heeft elk jaar een ander thema, naast het overkoepelende thema van Europese integratie. Naast de studiebezoeken worden er door de deelnemers peer-to-peer activiteiten georganiseerd om hun ervaringen te verspreiden onder een breder publiek. Het doel van het programma is om jongeren uit Servië en Kosovo met elkaar in contact te brengen. Meer informatie over het programma kan gevonden worden op de website van IKV Pax Christi: http://ourfuture.ikvpaxchristi.nl en op http://www.ourfuturenetwork.eu
(...)
Het volledige artikel is te lezen in Donau 2009/03.